Papa

Vandaag is het 20 jaar geleden dat je overleed in het ziekenhuis in Deventer. Mama, Remco en ik zaten aan je bed. Ik had tot dan nog nooit iemand zien doodgaan en wilde nooit afscheid nemen bij een condoleance. Dat vond ik eng. Ik was bang dat ik me de persoon niet meer zou kunnen herinneren in levende lijve. Na deze dag was ik niet meer bang, ik weet immers nog precies hoe je was! Een laatste, wijze les van jou.

Veel wijze lessen heb ik van je gehad. Vaak heel pragmatische: je best doen op school, eerlijk zijn (maar toch stiekem even iets doen wat van mama eigenlijk niet mag), op tijd komen J, niet meedoen omdat anderen het doen (als de hele klas in de IJssel springt doe jij dat toch ook niet?) en vooral: het maakt niet uit wat voor huidskleur je hebt, waar je vandaan komt, wat je religie of je geaardheid is, je bent allemaal even veel waard. Je was immers opgegroeid op Java, een  – in die tijd – tolerante smeltkroes van religies en culturen.

Toch klopte er iets niet aan die laatste les. Want er was een groep mensen op de wereld waaraan je een ongelooflijke hekel had: Japanners. Door jou consequent ‘De Jappen’ genoemd. Drie en een half jaar concentratiekamp (in het jongenskamp ben ik geweest in 2008, tijdens ons bezoek aan jouw Java) in de jaren die onbezorgd hadden moeten zijn (van je 14e tot je 18e) hadden een ongelooflijke haat jegens een bevolkingsgroep in je aangewakkerd. Begrijpelijk? Vast. Ik denk dat iedereen die jaren in een concentratiekamp heeft doorgebracht en daar verschrikkelijke dingen heeft meegemaakt, leert haten. Maar voor mij strookte (en strookt) het nog steeds niet met je boodschap én je gedrag naar mensen toe. Wat konden de mensen uit Japan er zo veel jaren na de oorlog nog aan doen? We gingen toch ook al lang weer gewoon naar Duitsland?

Geen Japans product kwam er in bij ons en toen ik al lang het huis uit was en met een Japanse auto aan kwam rijden zei je: ‘Kijk eens naar die koplampen: net spleetogen!’

Na de oorlog kwam je in Deventer, opa en oma kwamen daar vandaan en opa kon er heel snel weer aan het werk in het onderwijs. Jij moest naar school, kwam als 18-jarige tussen 14-15-jarige pubers in de klas. Pubers die jou niet begrepen en die jij niet begreep. Het was hier koud, de Nederlanders aten (toen nog) geen rijst en niemand had begrip voor wat je had meegemaakt. Je wilde terug. Terug naar het land waar je zo van hield en dat je ook altijd ‘Indië’ bent blijven noemen.

Er was een mogelijkheid om er te komen: het leger in en mee doen met de politionele acties. ‘Ik kende de taal, de cultuur, ik kon die Nederlandse jongens helpen’, was je argument, maar ik weet: je wilde gewoon terug.

Je ging. Over die tijd daar als soldaat vertelde je nauwelijks iets. Over de periode in het kamp ook niet trouwens. Maar beide perioden hebben je voorgoed beschadigd. Terug in Nederland ben je in het leger blijven hangen, je had immers geen afgeronde opleiding en het was een vaste baan. Je was een luisterend oor voor menig jong militair met problemen, zeker als ze waren uitgezonden.

Ik had een fijne vader aan jou. Streng, vooral als ik weg ging. Best ingewikkeld, want toen begreep ik niet dat dat met je oorlogsverleden te maken had. Je haalde me van dansles, of van koor in uniform. Ik wist niet beter. En speciaal op mijn verzoek kwam je dan ook op mijn bruiloft in gala-uniform.

Er waren wel signalen dat de oorlog niet uit je systeem verdwenen was. Sommige heel duidelijk. Toen keizer Hirohito Nederland bezocht schold je hem uit: in het Japans. Je was voor kernwapens, stel dat de Russen zouden komen. Maar sommige ook minder duidelijk. Je hield niet van de feestdagen. Het duurde lang voor ik begreep dat je vond dat ‘Vrede op aarde’ niet te vieren viel.

Op je 55e ging je met pensioen, dat was nu eenmaal zo als je in het leger had gediend. Tot die tijd had je je leven aardig op de rit, maar nu had je tijd te over om na te denken.

Je was altijd bang, bezorgd dat er iets zou gebeuren met mama, met Remco, met mij. Later met René, Elsbeth, en onze meiden. Dat ging ver, heel ver. Zo ver dat er eigenlijk niet meer met je samen te leven viel.

Remco en ik hebben je zover gekregen dat je je liet opnemen in Centrum ‘40-‘45. Het heeft niet geholpen. Ook daar wisten ze niet echt door je pantser (ik mankeer niks, die andere mensen zijn er veel erger aan toe) heen te breken en na anderhalf jaar kwam je terug naar Deventer. Niet bij mama, dat kon niet, maar in een verpleegtehuis. Daar brak je, begin januari 1997 je heup. Een heel verdrietige periode in het ziekenhuis volgde, je was bang, maar liet (weer) niet zien hoe groot je problemen waren. Een jonge psychiater constateerde doodleuk dat er waarschijnlijk helemaal geen sprake was van een oorlogstrauma, daarvoor functioneerde je – geestelijk – nog veel te goed.

Lichamelijk ging het niet goed met je, en de wil om nog te leven was er niet meer. ‘Heeft de Jap het toch nog voor elkaar gekregen’, was je bittere conclusie.

Op 3 februari 1997, vandaag 20 jaar geleden, overleed je, nog maar 69 jaar jong. Wat had ik je nog graag langer bij ons gehad, wat had ik je graag willen laten zien wat er van je drie geweldige kleindochters is geworden (ondanks de zorgen die je ook daar wel om hebt gehad). Mooie vrouwen, met een sociale kijk op de wereld en oog voor een ander. (En stiekem had ik natuurlijk ook wel graag de mooiste kleinzoon ter wereld aan je willen voorstellen: een prachtig voorbeeld van gemixte culturen. Had je wel minstens 88 moeten worden…)

En pap, ik heb geen hekel aan de Japanners, nooit gehad. Blijkbaar heb ik altijd geweten dat jouw boodschap dat elk mens, ongeacht religie, ras, huidskleur en geaardheid goed is zoals hij (of zij) is de boventoon voert en dat geen volk het verdient om langdurig gehaat te worden. Ik weet zeker dat je dat inmiddels met me eens bent!

Monica

Uw e-mail bericht wordt niet gepubliceerd. Naam en e-mail velden zijn verplicht

vijftien + acht =